Waargebeurd ......
Karel was een Nederlander die in de risicogroep viel wat betreft het Corona virus. Nou, dat heeft hij geweten.  Zoals je dan vaak ziet; hij liep het virus inderdaad op. En behoorlijk. Hij was erg ziek met hoge koorts en veel hoesten. Karel kreeg van zijn huisarts te horen dat het protocol voorschreef dat hij thuis moest uitzieken omdat hij een Ventilator in de Intensive Care niet zou overleven. Nou ja, uitzieken…dat betekende natuurlijk doodgaan. Dat voelde Karel zelf ook wel aan, dat doodgaan hem boven het hoofd hing en hij schikte zich in zijn lot. Met vallen en opstaan weliswaar. Soms kon hij nog echt rebels zijn een dan kregen we door het gekuch heen een tirade te horen over het ‘kut’ virus en de klojo’s die dokters zijn.
Maar goed, ik was een oude vriend van Karel en het lukt me hem toch op te mogen zoeken. Ik ben tenslotte zelf arts en dat heeft soms zo z’n voordelen. Ik moest wel geheel in het beschermende pak inclusief gewraakte mondkapje en handschoenen.
Daar lag Karel. Zijn gelaat en lichaam ingevallen. Zijn grijze stoppelbaard hielp ook niet. Karel keek mij aan, zoals hij al zo vaak gedaan had. Al die andere keren stonden zijn ogen dof en berustend. Maar nu was er iets anders. Zijn blik was helder; intens zelfs. 
‘Wat is er met jou aan de hand?’ vroeg ik. ‘Er is iets bijzonders gebeurd’, antwoordde Karel. ‘Het heeft mijn leven veranderd.......
 
Maar eerst maar eens; hoe is het met jou Fransie?’ Fransie…’, dacht ik. Die ‘koosnaam’ had ik lang niet gehoord uit zijn mond. Er moest wel iets heel bijzonders gebeurd zijn, iets opbeurends. En dat hij eerst wilde horen hoe het met mij ging… Ik frunnikte een beetje aan mijn maskertje. Zou ik het afdoen; dat praatte wat makkelijker? Ik hield het toch maar op.

‘Uh, met mij gaat het wel goed’, zei ik. ‘Ik erger me alleen ontzettend aan al het gedoe rond het Corona virus. Niemand lijkt nog echt te weten waar het allemaal heen gaat. De adviezen zijn vaak tegenstrijdig en er zijn altijd wel een stelletje experts te vinden die het beter weten. En dan al die onzinnige (in mijn ogen althans) complottheorieën.  Bill Gates of George Soros als het kwaad zelve. En…, echt niet te geloven, Donald Trump als de door God gezonden redder van ons allen!’ 

 

‘Nou, dat zit je wel behoorlijk dwars’, bracht Karel in met een glimlach. ‘Complottheorieën zijn al zo oud als de weg naar Rome, toch? Mensen hebben altijd een vijand nodig. Voor velen is dat de Staat of de Regering, maar omdat die misschien toch wel het beste met ons voor hebben moet er iets ‘diepers’ zijn dat het kwaad veroorzaakt en voilà daar heb je de ‘Deep State’. Een vijand hebben we gewoon nodig om ons tegen af te zetten. Mensen voelen zich al vaak zo kut dat je je boosheid ergens op moet botvieren’.  Karel eindigde zijn woorden met een fikse hoestbui. Hij had al lang niet zoveel woorden gesproken. 

‘Rustig aan man’, riep ik, terwijl ik met mijn gehandschoende hand zijn hand vastpakte. ‘Sorry, ik had je niet moeten opzadelen met mijn eigen ergernis’.

We zaten een tijdje zwijgend bij elkaar; mijn hand in de zijne. Het was goed en we lieten het zo. Ondertussen keek Karel mij recht in de ogen. Die ogen stonden nog steeds intens; ik vond zelfs dat ze straalden. Hier was mijn vriend aan het doodgaan maar zijn ogen waren vol leven.

‘Ik ben zo blij dat je er bent, Frans! Ik moet je echt iets vertellen. En jij moet me beloven dat, als ik er niet meer ben, je mijn verhaal vertelt aan anderen. Het is zo fantastisch; ze moeten het horen!’  ‘Maar Karel, je gaat ons toch nog niet verlaten…’ bracht ik zwakjes in.

‘Kom, Frans, je weet wel beter. Ik ben er helemaal klaar mee, met al dat gedoe. Maar er is meer; ik ben ook klaar om wat ik heb mogen zien; het is zo’n last van mijn schouders. Zo’n openbaring’.  Weer viel er een stilte tussen ons. Ik begon Karel meer te voelen hierdoor. Hij straalde een enorme rust uit; een blijdschap zelfs. Daar waren geen woorden voor nodig. 

Karel nam weer het woord. Zijn stem was nu zachter; bijna fluisterend alsof hij mij een geheim ging vertellen.

‘Het gebeurde afgelopen nacht, Frans. Ik had het echt te kwaad. Hoestte de longen uit mijn lijf. Ik had het gevoel dat ik ging stikken. Ik was er zo klaar mee dat ik me er niet meer tegen verzette. Ik dacht, als ik dood moet, laat het dan maar gebeuren. Het was niet boos of verdrietig; gewoon een heldere constatering. En toen gebeurde het…’ 

 

Karel, moest weer even op adem komen. We zaten in een veelzeggende stilte. Hij had mijn hand stevig vast; gaf er een kneepje in en ging verder.

‘Ik liet dus alles even voor wat het was. Ik was okay met de dood. Toen begon er een wonderlijk proces. Moeilijk te omschrijven, maar het leek alsof ik door mij zelf heen zakte de diepte in. Ik zag opeens dat ik normaal in een schulp zit; een schulp van afscheiding. Afscheiding die ik zelf doe. Ik sluit me af. Er is ‘ik’ en de buitenwereld. ‘Ik’ en ‘jij’. Dat is zo’n gewoonte geworden dat we het allemaal normaal vinden. ‘Ik’ ben gewoon afgescheiden van de wereld en die wereld (en de anderen) je weet maar nooit of die te vertrouwen zijn. Het is duidelijk en normaal nu!  Ik moet overleven in een vijandige wereld’.

Karels relaas werd onderbroken door een heftige hoestbui. Ik ging bijna zelf mee hoesten; ook omdat zijn woorden echt binnen kwamen. Ik herkende dat gevoel van afscheiding wel. Maar dat ik er zelf verantwoordelijk voor was… 

 

‘Je, moet het echt rustig aan doen Karel’, mompelde ik. ‘Je spant je veel te veel in. Ik denk dat ik wel begrijp waar je het over hebt. Het is wel goed zo…’

‘Nee, man’, antwoordde Karel. ‘Ik ben nog maar net begonnen. Jij had het over de ‘Deep State’, Frans. Dit is de ‘Deep State’; dit is het oude en nieuw normaal. Dit is het normaal waar we al zo lang in leven. ‘Doe maar normaal’ roepen we niet voor niets.  Dit is waar mensen ‘deep down’ boos over zijn. Het is een collectieve complottheorie die we allemaal aanhangen. Deze is nu werkelijk dodelijk. Onze allergrootste vijand is dat we alles zien in tegenstellingen die elkaar niet anders kunnen dan bestrijden of het ‘beste er van maken’. De verbinding met het leven, de natuur en elkaar is verbroken. En wat erger is, we geloven erin; we versterken het elke dag weer. We over-leven; we leven niet; niet echt’.

Karels hoofd had zich bij dit verhaal opgericht uit zijn kussen. Ik denk om zijn woorden kracht bij te zetten. Nu viel het terug en moest hij echt even op adem komen. Maar dat duurde niet lang. ‘Frans, mijn visioen ging verder. Ik zag in dat moment gewoon wat ik al m’n hele leven lang doe; en wij allemaal. Want net aan de andere kant (ja ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen) was er alleen maar verbinding. Ik voelde mezelf zó verbonden met het leven. Het was net alsof mijn hele lichaam openging en ter plekke opbloeide. De verharde knop, die ik altijd ben geweest, ging alsnog open. Kun je het voelen, Frans?  Er is alleen maar verbinding. Alles is verbonden met alles.  Het klinkt soft vanuit het oude normale, maar dit is liefde. Voelen deed ik, zonder beperking. En ik was zo onnoemelijk ontspannen. Mijn hele wezen slaakte een zucht van opluchting; ik hoefde niet langer te overleven. Zelfs nu niet met mijn longgedoe’.

Ik keek naar mijn oude vriend. Zijn lichaam, zoals het daar lag, was ‘op’, maar Karel zelf niet. Ik had hem nog nooit zo meegemaakt. Die koppige, eigenwijze filosoof Karel; die mede wetenschapper. Niets was er meer van over. Karel was gewoon happy op dat moment en zat niet meer in zijn hoofd, zoals we gewend waren. Ik zei zelf ook niet meer omdat dat gevoel op mij over begon te stralen. Ik voelde een diepe verbondenheid met hem. Ik hield echt van Karel.

Na een lange stilte vervolgde Karel zijn gevoelsbetoog.

‘Ik zei al eerder dat dit alles gepaard ging met een gevoel van vallen door lagen heen. Eerst de laag van afscheiding en zelf-kramp. Dan de laag van verbinding. Man, als je dat voelt, dan weet je het gewoon. We leven allemaal een leugen; de leugen van noodzakelijke afscheiding. De werkelijkheid is echter verbinding en kwetsbaarheid. Ja, dat is een goed woord; we zijn kwetsbaar. Alles is kwetsbaar en fragiel. Als we dat niet zijn voelen we de verbinding niet. En meer nog; ontspannen, kwetsbaar en voelen is heel natuurlijk. Maar, Fransie (daar was die naam weer), het vallen in mijn diepte ging door. Ik viel in een diepte waar er niets meer was dan alleen het gevoel van Zijn, een Eénheid’.

 

Hier stokte Karels stem. Hij werd overweldigd door emotie. De emotie van ontroering. Ik zelf zat ook met een brok in mijn keel. Hoe was dit mogelijk? Wat een wonder? Dat we dit zo samen mochten beleven! ‘Ja, die diepte Frans. Er valt eigenlijk niets over te zeggen. Er zijn nauwelijks woorden voor. De diepte is oneindig diep. Er is daar geen ‘plaats’ of ‘tijd’. Alleen maar Zijn vol Voelen als oneindige liefde. Geen dood is daar Frans maar ook geen geboorte. Niets gaat ooit echt dood.  Dit lichaam is ziek en verdwijnt in zijn huidige vorm maar ik niet, zoals ik Ben…’

We keken elkaar aan, Karel en ik. Zijn ogen keken vanuit die andere wereld waar hij het over had. Ze waren peilloos diep, zijn ogen en ze straalden.

‘Weet je Frans, wij mensen moeten ophouden te geloven in onze gemeenschappelijke samenzwering. Dat is niet alleen een theorie, dat is iets wat we samen in standhouden. We doen dit door elkaar te beconcurreren en te bestrijden. Door ongelijkheid te creëren. Het is de oorsprong van alle racisme. Van de plundering van de aarde, van de milieuverontreiniging en de bio-industrie. Van het eindeloze gezoek naar oplossingen ook. Daarom voelen we ons ook voortdurend een slachtoffer van de boze dit of dat. Het is allemaal een leugen Frans, een Deep State, een samenzwering, die we zelf fabriceren en die echt is. We ondervinden hem aan den lijve elke dag weer. We houden hem met z’n allen in stand’.

 

Wow, Karels stem had plotseling aan kracht gewonnen. Zijn ogen keken vurig. Hij kon zo uit bed stappen, zo leek het, om dit aan zijn medemensen te verkondigen.  Ik was zelf diep geraakt door dit alles. Karel sprak inderdaad vanuit een wereld vol Levenskracht die geen weerspraak duldde. Het was gewoon waar wat hij zei. Ik zelf moest meteen terugdenken aan uitspraken van mijn overleden Leermeester. Die had ooit een boek geschreven met de raadselachtige naam: ’Not Two is Peace’. Als er ‘twee’ zijn, als in ‘ik’ en ‘jij’ dan kan er geen echte vrede zijn. Pas als we ons onverbrekelijk verbonden voelen is er Vrede. Dan zien we ook, zei mijn Leermeester, dat voorafgaand aan dit alles de mensheid een Geheel is en een Eénheid. Dit is net zoals de cellen in ons eigen lichaam tegelijk ‘cel’ zijn en één geheel lichaam.

 

Het was alsof Karel mijn gedachten had gelezen. ‘Zie je Frans, als we vanuit verbondenheid, liefde en éénheid zouden leven dan zouden we geen ‘Deep State’ hoeven te verzinnen. Daarvoor is wel nodig dat we de ‘Deep State’ van afscheiding, ongelijkheid, afgrenzing en individuele en collectieve verkramping voelen als onze zeer pijnlijke zelf gecreëerde werkelijkheid. We zijn geen slachtoffers Frans. We moeten die Staat van aan alles voorafgaande Eénheid, in ons zelf en met z’n allen, aanvaarden als onze natuurlijke toestand. Deze gewoon aannemen en doen Frans. Dit moet je de mensen vertellen!’

Nu had ik zelf zo’n brok in mijn keel, dat ik alleen maar bevestigend kon knikken. Ik vergat alle protocollen, haalde met een snelle beweging het kapje van mijn mond, boog me voorover, nam Karels broze lijf in mijn armen en kust hem. Het ga je goed mijn vriend!

Copyrights © 2020 All Rights Reserved by Changespirators.