Een parabel over het Corona virus  Deel I

Een parabel over het Corona virus

Deel I

Er was eens…

Een vogel; een mooie vogel voor de buitenstaander. Ze had een blauw kopje en een groen lijf; echt prachtig. Het was nog maar een vogeltje eigenlijk. Ze had haar leven nog voor zich. Het enige nare, voor de empathische buitenstaander, was dat het vogeltje in een kooi zat. Die kooi was weer een onderdeel van vele andere kooitjes in een  grote dieren winkel vol andere gekooide dieren.

Het leven in de overvolle winkel ging z’n gangetje. Alle vogeltjes zaten braaf in hun eigen kooitjes. Ze wachten tot ze verkocht werden. Dát was nog eens spannend ; dan begon het leven pas echt, hadden ze geleerd. Ergens anders in je kooitje bij echte mensen die je mooi vonden. En dan misschien ook een mooi uitzicht op een tuin of zo, met bloemen, planten en bomen.

Zo zag het leven van de gekooide vogels er uit. Ze wisten niet beter en er was hoop!

Dat was niet altijd zo geweest. In het meer grijze verleden hadden de gekooide vogeltjes zich afgevraagd waarom ze eigenlijk in kooitjes zaten en niet vrij rond konden rondvliegen. Er deed een gerucht de ronde dat er ‘ergens buiten’ vogels vrij rond vlogen in wat de ‘natuur’ genoemd werd. Dat idee deed de vogel hartjes sneller kloppen…echte vrijheid; hoe zou dat er uit zien? Als de vogels eerlijk waren moesten ze ook toegeven dat ze een beetje bang waren bij de gedachte dat het deurtje van de kooi open zou gaan. Het gerucht werd dan ook afgedaan als een soort samenzweringstheorie of, op z’n minst een zweverige fantasie die niets te maken had met de werkelijkheid van alle dag. Het kooileven was gewoon wat het was en de vogels moesten er dus het beste van maken, normaal doen en niet klagen. Overigens; dat deurtje waar we het over hadden, dat was het grote taboe. Je wist wel als vogel dat het er was, ergens, maar je praatte er nooit over. Dit was de plek waar je binnengekomen was ooit. En dat was vreselijk. Je zat gevangen en samengedrukt in een grote mensenhand beroofd van je vrijheid en dan werd je losgelaten en zat voor de rest van je leven in de kooi gevangen. In de paniek van het moment had je niet in de gaten dat de kooi een deurtje had dat je met je snavel en een beetje oefening open kon maken. Vervolgens werd je een groot taboe voorgehouden: je mocht niet met je snavel bij de sluiting van het deurtje van de kooi komen.  Dat leerde je van jongs af aan. Als je onverhoeds en speels toch in de buurt van het deurtje kwam werd je meteen op de vingers (snavel) getikt; vaak hardhandig terug in het gareel.

Dus, zo gezegd en geleerd, zo gedaan. Je schikte je in je kooi leven en het werd normaal.

In de loop van de tijd hadden de vogels mensen zover gekregen dat ze begonnen waren hun kooien op te leuken. Met vogel toetertjes en belletjes; spiegeltjes, kleurig ditjes en datjes. Dit hadden de vogels in de winkel gehoord van een vogel die teruggekeerd was uit de mysterieuze en zogenaamde buitenwereld. Mensen waren gevoelig gebleken voor een mooi verenkleed, gezang, getjilp en ge-hups. Ze hadden medelijden gekregen met het hun vogel in z’n kooi bestaan en voor afleiding en vertroosting gezorgd. Sommige vogels hadden ze zelfs zover gekregen de spijlen van hun kooi te verven in allerlei kleurtjes. Er was zelfs een gerucht dat een vogel z’n rijke eigenaar had bewogen een kooi geheel van goud te maken. Maar dat was zeldzaam; misschien maar één van de honderd die een heel mooie kooi had.

Ja, ‘eigenaar’, dat was ook zo’n ding. Dat je het bezit van een ander wezen, genaamd mens, kon zijn. Dat was ook zo’n taboe onderwerp; je moest er niet over nadenken, het was gewoon zo! Er bestonden wel allerlei mythes over. In een heel ver verleden was er een machtige soort, homo sapiens genaamd, die voorbeschikt was, door een Almachtige God, om de baas te zijn over alle dieren, planten en eigenlijk de hele wereld. Dat was zo’n overweldigend gegeven. Het had geen zin om daar tegen op te boksen.

Kortom; in de loop van de tijd was het gewoon duidelijk geworden: het kooi leven was normaal en de mens was de door God gegeven baas. Iedereen dacht er zo over en iedereen deed gewoon mee. Je mocht soms wel verlangen of een droom-fantasie hebben over iets anders, als je het maar voor je hield! En…dromen zijn toch bedrog; iedereen wist dat.

Alles ging op deze manier z’n gangetje, tot er op een dag er iets vreselijks gebeurde.

Een parabel over het Corona virus  Deel I

Een parabel over het coronavirus

Deel II

De gele Kanarie die altijd zo mooi zong, viel van zijn stokje, morsdood. Hoe kon dat nou, zo plotseling. Er werd onderzoek gedaan. Het bleek een (vogel) virus te zijn. Het virus greep om zich heen. Het trof vooral oudere vogels die al lang in de winkel woonden en waarvan de kans dat ze verkocht zouden worden gering was. Misschien was dat wel een ‘geluk’ bij een ongeluk, zeiden sommigen. Die vogels hadden toch niets meer om naar uit te kijken. Sommigen zongen zelfs niet eens meer. Zo erg was dat dus niet als ze van hun stokje vielen. Misschien, zo was de gedachte, zou het virus dan wel snel uitwoeden en konden de vogels in hun kooitjes weer overgaan tot de orde van de dag. Het grote wachten op hun verkoop zou dan weer ongehinderd door kunnen gaan. Er zou weer hoop zijn.

Maar goed, daar waren we voorlopig niet. De zieke vogels werden in een hoekje van de zaak gehangen of gezet om besmetting tegen te gaan. De jongere vogels werden wel ziek, soms heel erg, maar werden ook wel weer beter. Ondertussen wist niemand hoe het virus echt te bestrijden. Er werd eigenlijk maar wat aangemodderd.

De geruchten machine draaide ondertussen op volle toeren. Er was bijvoorbeeld het gerucht dat alle vogels verbrand zouden moeten worden om het virus uit te roeien. Je kreeg er kippenvel van; wat afschuwelijk. Dan was er ook het gerucht dat de vogel in de gouden kooi op de een of andere manier het virus in de winkel gemeenschap had gebracht. Zie je, hij wilde gewoon alleen overblijven zodat de kans dat hij nog beter doorverkocht zou worden veel groter zou zijn. En dan was er het gerucht dat de uitbraak van het virus te maken had met het nieuwe 5G apparaat dat onlangs in de winkel opgehangen was. Dan zeiden sommigen dat het virus in een ander ver land expres gemaakt zou zijn om alle zangvogels uit te roeien. Die vond men te lawaaiig. En dan zouden ook alle vogels ingeënt moeten worden. Je moest er niet aan denken. Zo’n grote naald in je lijf en wat zouden ze je eigenlijk inspuiten. Kon vast niet goed aflopen.

Maar goed; er werden best drastische maatregelen genomen. Alle opsmuk in de kooien werd bijvoorbeeld weggehaald. Die toeters en bellen zouden de verspreiding van het virus bevorderen. De kooi werd nu gewoon een kale kooi; geen afleiding, geen vertroosting meer. Heel erg vervelend omdat ook de verveling vol toesloeg. Alle vogels klaagden steen en been. Ze misten nu ook hun soortgenoten die in een donker hoekje of de kelder van de winkel in quarantaine zaten. Je kon er toch zo leuk samen mee kwetteren. Sommigen vogels voelden zich zo genomen dat ze in hongerstaking wilden gaan nu hun leven zo beknot werd. Een aantal probeerde luid en vals te gaan zingen of heel luid te kwetteren uit protest. Het hielp allemaal geen bal. De maatregelen bleven gewoon bestaan. De mensen waren de baas. Gelukkig werd niemand nog verbrand, hoewel dit een hardnekkig gerucht bleef omdat de mensen vonden dat de vogelhandel gevaar liep als ze het virus te veel zijn natuurlijke gang zouden laten gaan.

Een parabel over het Corona virus  Deel I

Een parabel over het coronavirus

Deel III

Onze blauw-groene vogel maakte dit alles mee. Ze werd van hot naar her geslingerd. Angst om dood te gaan hoorde daar ook bij. En de ongewisheid van alles. Je wist gewoon nooit echt goed hoe het allemaal in elkaar zat en waar het heen zou gaan. En er waren echt veel geruchten en experts die elkaar telkens weer tegenspraken. Het leven leek in allerlei kampen verdeeld die lijnrecht tegenover elkaar stonden. Je werd er dol van.

Toen gebeurde het:

Ons vogeltje zat op haar stokje, treurig haar verkrampte zelf te zijn. Het was zo’n moment dat ze echt ten einde raad was. Ze kon niet voor of achter uit met zichzelf. Haar hersentjes waren dolgedraaid.

Opeens en totaal onverwachts, gezien haar gemoedstoestand, kreeg ze een visioen. Ze werd getransporteerd naar een andere belevingswereld voorbij de kooiwereld waarin zo normaal vertoefde. Ze zat in een soort wit licht dat alles doordrenkte inclusief haar kooi. In dat visioen zag ze zichzelf in haar kooi maar ze werd door een kracht buiten haarzelf bewogen om iets totaal anders te doen. Ze was heel ontspannen en bewoog als van zelf.  Ze zag zichzelf in een waas tegen het grote taboe in gaan. Ze nam de sluiting van het deurtje van haar kooi in haar bek en draaide er aan zodat het deurtje open ging! Ze deed dit zonder een zweempje van angst. Het moest gewoon. En zie, daar was de grote wijde en vrije buitenwereld. Alle wat er nodig was, was het deurtje op te doen en de kooi hield op ‘kooi’  te zijn. Ze kon het bijna niet geloven; dat was altijd het enige wat ze niet gedaan had; het deurtje van de kooi open doen.

Het deurtje van de kooi stond nu wagen wijd open. Ze aarzelde plots weer; zou ze naar buiten gaan? Aarzelen is wel een understatement, eerlijk gezegd. Ze werd overspoeld door grote twijfel en het angstzweet brak haar uit. ‘Daarbuiten’ leek opeens heel gevaarlijk. Alle kooi-zekerheden weg. En…zou ze wel kunnen vliegen. Dat had ze nooit echt gedaan. Meer dan een beetje fladderen was het nooit geweest. Echt vliegen…in vrijheid, zonder enige beperking! Kon dat dan zomaar? Door dat openstaande raam in de winkel een volgende buitenwereld in…en was daar dan de ‘natuur’?

Opeens, op de drempel naar vrijheid, voelde ze ook ten volle de beklemming van de kooi. Vanuit de gevoelde mogelijkheid van Vrijheid,  was haar inzicht niet meer te stuiten. Die kooi waar ze ooit ingestopt was, was helemaal niet haar leven. Integendeel ze had er voor gekozen de kooi en alle beperkingen die die meebracht, als werkelijk en niet te veranderen, aan te nemen. Wat een begoocheling, wat een ramp, wat een leugen.

Er daagde haar nog meer; dat virus, waar iedereen zo mee worstelde, kon juist toeslaan omdat haar leven en dat van haar medevogels niet vol en vrij was maar juist zeer beperkt. Als iedereen z’n vleugels uit zou slaan en vrij kon bewegen, niet meer beperkt door een kooi…Ja, dat was natuurlijk het antwoord. Dat ze dat niet eerder had gezien. Ergens had ze het wel altijd geweten. Het leven was om je vleugels uit te slaan. Niet zij alleen, maar alle vogels. Alle vogels waren voorbestemd om vrij te kunnen vliegen. Geen enkel wezen was het bezit van een ander wezen! Gekooid zijn was een ramp; een misdaad tegen het leven. Klaar af; heel duidelijk, zó was het. Geen beperkende kooi meer; geen bezit, geen zoethoudertjes, geen toeters en bellen, geen doekjes voor het bloeden!

En zie daar; onze vogel maakte de grote sprong. Ze vloog weg de vrijheid tegemoet. Een beetje houterig misschien in het begin, maar ze vloog; ze was niet meer te stuiten! Ze wist het nu ook zeker; geen virus kon haar nu bereiken. Het was er natuurlijk wel, dat virus, en je kon er niet om heen en moest er rekening mee houden. Maar tegelijkertijd was ze er ook immuun voor; echt immuun! Ze was ook, op een heel basale manier, immuun voor alle beperkingen. Ze kon altijd in contact blijven met haar inherente vrijheid; ze kon altijd haar vleugels uit blijven slaan voorbij beperkende omstandigheden. Die vrijheid kon haar nooit meer afgenomen worden. Vrijheid of on-vrijheid kwamen niet van ‘buiten’ haarzelf. Ze hoefde geen toestemming te krijgen, ook niet in opstand te komen, noch het hoofd in de schoot te leggen.

Ze was de vrijheid. Altijd al en Wezenlijk.